Gommers: ‘Ic-verpleegkundigen vragen zich af: horen jullie ons wel?’

Het aantal coronapatiënten dat in het ziekenhuis en op de intensive care (ic) wordt opgenomen is al wekenlang laag na de coronapiek in maart en april. Toch zijn er nog zorgen onder ziekenhuispersoneel, zegt Diederik Gommers, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC) in gesprek met NU.nl. “Verpleegkundigen willen zich gehoord voelen. Nu hangt er een beetje de sfeer van: horen jullie ons wel?”

Afgelopen week bleek dat het aantal coronabesmettingen flink is gestegen. Denkt u dat de zo gevreesde tweede golf eraan komt?

“Daar ben ik net zo’n expert in als u. Ik kan het niet voorspellen. Dat het aantal besmettingen is toegenomen is een wake-upcall. Pas als er meer patiënten in het ziekenhuis worden opgenomen is het een alarmsignaal. Het zou kunnen dat je dat over twee weken ziet.”

“Maar ik verwacht pas problemen als de normale verkoudheidsvirussen hun intrede doen, in december of januari. Dan wordt het misschien best spannend.”

Tijdens de coronapiek was de druk hoog op ziekenhuispersoneel, in het bijzonder op de intensive care. Hoe gaat het daar nu?

“Er heerst best wel een ontspannen sfeer op de ic. Er zijn veel lege bedden en daardoor is er veel tijd om met verpleegkundigen te praten.”

Wat is hun boodschap tijdens die gesprekken?

“Er zit nog wel een beetje boosheid. Het is niet meer nieuw als we een nieuwe uitbraak krijgen en iedereen verwacht dat de verpleegkundigen en dokters allemaal weer hetzelfde doen.”

“Maar er wordt ook geroepen dat de gewone zorg en het gewone leven door moet gaan. Dat wordt wel best lastig. Ik merk dat de bereidheid om er met zijn allen de schouders onder te zetten meer een discussie is. Maar aan de andere kant zeggen we ook tegen elkaar: als er een patiënt voor de deur staat, dan behandelen we hem.”

“Ik maak me geen zorgen, maar verpleegkundigen willen zich wel gehoord voelen. Nu hangt er op de ic een beetje de sfeer van: horen jullie ons wel?”

Ic-verpleegkundigen voelen zich niet altijd gehoord, nu er weinig coronapatiënten in het ziekenhuis liggen. (Foto: Pro Shots)

U had in de maanden maart en april geen tijd om zelf ic-diensten te draaien. Heeft u dat nu weer wel kunnen oppakken?

“Er waren toen veel vergaderingen en ik had veel te regelen. We draaien hier diensten van een week en hebben de afspraak dat je dan ook op de werkvloer moet zijn en geen andere verplichtingen moet hebben. Er waren wel momenten dat ik mijn witte jas aandeed om even op de werkvloer te kijken, ook om dat gevoel weer even te hebben.”

“Ik vind het (werken op de intensive care, red.) nog te leuk. Het klinkt heel gek en je gunt niemand dat die corona krijgt, maar vanuit mijn vak gezien is het echt interessant. We wisten niet wat er gebeurde en dan gaat het bij ons kriebelen. Het is voor ons als snoepen in een snoepwinkel en heel leuk met collega’s die puzzel op te lossen.”

U bent voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care. Door de coronacrisis had u een vooraanstaande rol en stond u vol in de spotlights. Heeft u er daarom spijt van dat u ooit voorzitter van die vereniging bent geworden?

“Nee, het was een crisis, maar wat ik heb meegemaakt is een ongelooflijke ervaring. Ik heb gewoon geluk gehad. Ik ben een beetje een crisismanager en dit is mij op het lijf geschreven.”

“Het werk dat ik doe vind ik ongelooflijk leuk. Iedereen maakt zich druk of ik wel vakantie houd en niet te hard werk. Nee, dit is ontzettend leuk werk en ik voel me heel erg vereerd dat ik het heb mogen doen.”

Door dat voorzitterschap werd u tijdens een debat door een medewerker van minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid) gebeld of u even de toezegging kon doen dat er een paar dagen later voldoende ic-bedden zouden zijn. U werd tijdens dat gesprek onder druk gezet die uitspraak te doen. Heeft u dat al uitgepraat met minister De Jonge?

“Ik heb van Hugo een appje gekregen dat we na zijn vakantie samen koffie gaan drinken. En wat mij betreft is hiermee de kous af.”

“Ik heb in dat telefoontje uitgelegd dat ik het ook niet voor 100 procent zeker wist. Als dat voor de politiek belangrijk is hadden ze die vraag niet aan mij moeten stellen. Ik wist wel dat alle collega’s keihard bezig waren, maar ik kon helaas niet op een knop drukken die precies wist dat er zestienhonderd bedden zouden zijn.”

“Dat is het verschil tussen een dokter en politicus: wij nemen zo vaak besluiten, ook al weten we het niet 100 procent zeker. We hebben in de medische wereld vaak geen 100 procent. Blijkbaar wil de politiek daar wel van uitgaan. Tja, dan moet je niet een dokter bellen.”

U was een van de boegbeelden van de coronacrisis en bent daarmee een Bekende Nederlander geworden. Wat vindt u daar eigenlijk van?

“Ik vind het ongemakkelijk. Mijn doel is om de intensive care goed op de kaart te zetten. We hebben nu laten zien dat we echt goed opgeleide specialisten zijn en voor aan de tafels moeten zitten. Dat het gevolg is dat ik daardoor Bekende Nederlander werd, ja, dat is blijkbaar een noodzakelijk kwaad.”

“Je moet mij niet bijzonder maken, ik ben maar gewoon een dokter. Als ik over straat loop zijn mensen heel vriendelijk en bedanken ze me. Ik vind het leuk als mensen positief over me zijn, maar ik zou het ook heerlijk vinden als iedereen me weer geen goeiedag zou zeggen. Ik ben gewoon een van de zeshonderd intensivisten. Niet meer, niet minder.”